Tijdens de
prise de mousse (belletjesvorming) rusten de flessen in koele kelders, omdat een koele, constante temperatuur dan zeer belangrijk is. Onder steden als Reims en Epernay liggen gangenstelsels van vele tientallen kilometers. Ze zijn een bezienswaardigheid van de eerste orde. Men kon ze vrij gemakkelijk uithouwen in dezelfde krijtbodem die zo'n goede ondergrond aan de wijngaarden biedt. Een eerste aanzet daartoe kwam al van de Romeinen, die het gesteente als bouwmateriaal gebruikten.
Champagnes paren een hoge zuurgraad aan aromatische verfijning en complexiteit. Ze komen van drie druivenrassen: chardonnay, pinot noir en pinot meunier. Meestal worden die gemengd, behalve in de Côte des Blancs. In dat district gebruikt men alleen chardonnay, voor wijnen van het type Blanc de Blancs. In de Montagne de Reims is pinot juist weer sterk vertegenwoordigd, die voor een wat zwaardere stijl wijn zorgt.
De meeste champagnes zijn assemblages van diverse stille basiswijnen van diverse jaargangen. Hierdoor kan jaar in jaar uit een gelijkmatige kwaliteit geproduceerd worden. Alleen van zeer goede oogstjaren produceert men
Vintages of
Millésimés. Anders dan een eeuw geleden wordt de overgrote meerderheid van de champagnes als het droge type Brut op de markt gebracht, met maximaal 15 gram restsuiker per liter. Toevoeging van wat suiker in de
dosage bij de botteling is nodig om de hoge zuurgraad wat af te ronden.
Champagne heeft model gestaan voor mousserende wijnen over de hele wereld. Producenten daarvan refereerden graag aan de
méthode champenoise, ook in Frankrijk zelf. Nadat het gebruik van die term verboden werd is als altenatief de benaming
crémant ingevoerd. Belangrijke gebieden daarvoor zijn Alsace, Loire, Bourgogne en Limoux.